Het huidige landschap

Begin 2025 telde Europa net onder de 300 openbare waterstoftankstations. Duitsland is nog steeds koploper met ruim honderd locaties, gevolgd door Frankrijk, Nederland en Zwitserland. In landen als Slowakije en Bulgarije gingen de eerste stations open. Toch is het netwerk ongelijk verdeeld. In sommige landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Italië, is de toegang nog beperkt en vaak gekoppeld aan testprojecten. In Noord-Europa verschuift de focus steeds meer naar vrachtwagens en bussen, waardoor het aantal stations voor personenauto’s afneemt.

Duitsland: de ruggengraat van Europa

Duitsland blijft het hart van de Europese waterstofinfrastructuur. Meer dan honderd stations zijn beschikbaar, vooral langs snelwegen en in steden als Berlijn, Hamburg, München en Frankfurt. Voor dagelijks gebruik is Duitsland het meest geschikt. Tegelijkertijd worden in 2025 stations met lage vraag gesloten of omgevormd voor vrachtverkeer. Dat betekent dat bestuurders meer moeten plannen, ook al blijft de dekking bovengemiddeld goed.

Frankrijk: een snelgroeiend netwerk

Frankrijk heeft de laatste jaren fors geïnvesteerd in waterstof. Met tientallen stations verspreid over het land, vooral rond Parijs, Lyon en Grenoble, wordt het rijden op waterstof steeds praktischer. In de hoofdstad profiteren taxi’s en stadsauto’s van een netwerk dat actief wordt uitgebreid. Voor langere ritten zijn routes als Parijs–Lyon of Parijs–Grenoble inmiddels haalbaar, mits je de tankstops goed voorbereidt. De prijs per kilogram ligt meestal tussen de elf en dertien euro.

Nederland: compact en efficiënt

Nederland heeft een overzichtelijk netwerk van zo’n 25 stations, voornamelijk in de Randstad (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht). Dankzij de korte afstanden is het relatief eenvoudig om met een waterstofauto het hele land door te rijden. Bovendien maken de verbindingen naar Duitsland en België langere ritten goed mogelijk.

Zwitserland: betrouwbaar en overzichtelijk

In Zwitserland is een netwerk van bijna twintig stations opgebouwd. Deze bevinden zich rond grote steden zoals Zürich, Basel en Genève en langs belangrijke transitroutes. Voor ritten binnen het land is de dekking ruim voldoende. Ook grensoverschrijdend verkeer richting Duitsland en Frankrijk verloopt soepel met de juiste voorbereiding.

Scandinavië: focus op zwaar transport

Denemarken, Zweden en Noorwegen waren ooit voorlopers, maar veel tankstations voor personenauto’s zijn gesloten. De nadruk ligt nu vooral op waterstof voor vrachtwagens en bussen. Voor particuliere rijders betekent dit dat de mogelijkheden in 2025 beperkt zijn en afhankelijk van een klein aantal operationele stations.

Verenigd Koninkrijk en Ierland: nog niet klaar voor de massa

In het Verenigd Koninkrijk blijft de infrastructuur versnipperd. Londen, Birmingham en Aberdeen hebben projecten voor taxi’s en bussen, maar voor privégebruik zijn er nauwelijks mogelijkheden. Nieuwe truckstops met waterstofvoorziening staan gepland, maar de meeste openen pas na 2025. Ierland loopt nog verder achter en biedt in 2025 geen betrouwbaar netwerk voor personenauto’s.

Zuid- en Oost-Europa: eerste stappen

In Zuid-Europa staat de ontwikkeling nog in de kinderschoenen. Spanje, Italië en Portugal bouwen langzaam aan een netwerk, maar de meeste stations zijn gekoppeld aan testprojecten of openbaar vervoer. In Oost-Europa hebben Slowakije en Bulgarije hun eerste stations geopend, wat symbolisch belangrijk is maar nog niet genoeg voor dagelijks gebruik.

Europees beleid: de 2030-doelen

De Europese Unie heeft duidelijke regels opgesteld via de Alternative Fuels Infrastructure Regulation (AFIR). Uiterlijk in 2030 moet er elke 200 kilometer langs de hoofdwegen van Europa een waterstoftankstation staan, evenals in alle grote steden. Elk station moet 700 bar kunnen leveren en minstens één ton waterstof per dag aanbieden. Dit betekent dat rijden op waterstof tegen het einde van het decennium voorspelbaar en praktisch moet zijn. In 2025 is dat nog toekomstmuziek, maar het beleid versnelt de uitrol.

Kosten en verbruik

Een waterstofauto verbruikt gemiddeld 0,8 kilogram per 100 kilometer. Met prijzen tussen de 11 en 15 euro per kilogram komt dat neer op zo’n 9 tot 13 euro per 100 kilometer. Dat is vergelijkbaar met diesel, maar duurder dan elektriciteit. De verwachting is dat de kosten dalen naarmate productie van groene waterstof goedkoper en grootschaliger wordt.

Praktische tips voor bestuurders

Controleer altijd de actuele status van een station. Houd rekening met het verschil tussen 700 bar (voor auto’s) en 350 bar (voor bussen en vrachtwagens). Plan alternatieve tanklocaties, vooral voor langere ritten. En kies bij voorkeur een woonplaats of regio waar meerdere stations in de buurt zijn, zoals West-Duitsland, de Randstad, de regio Parijs of Zwitserland.

De vooruitzichten

De komende jaren zullen steeds meer stations met hogere capaciteit verschijnen, vaak gericht op zwaar transport maar indirect ook gunstig voor automobilisten. Overheden investeren bovendien in duurzame waterstofproductie, wat de betrouwbaarheid en beschikbaarheid zal verbeteren. Met de EU-doelen in zicht zal de dekking richting 2030 steeds consistenter worden.

Conclusie

In 2025 kun je met een waterstofauto goed uit de voeten in landen als Duitsland, Frankrijk, Nederland en Zwitserland. In andere landen moet je rekening houden met beperkte beschikbaarheid en zorgvuldige planning. Voor wie bereid is om vooruit te denken en iets hogere kosten te accepteren, kan rijden op waterstof nu al een unieke ervaring zijn. Voor de brede massa volgt de echte doorbraak rond 2030, wanneer de EU-regels een betrouwbaar netwerk door heel Europa garanderen.

AUTO HUREN?